Temperaturen meten
U kunt een temperatuur meten met een spotmeter of een vak. De gemeten temperaturen worden weergegeven in de resultatentabel op het scherm.
Met een spotmeter meet de camera de temperatuur op de positie van de spotmeter.
Met een vak detecteert de camera het warmste/koudste punt binnen het vak en meet de camera de temperatuur van dit punt.

Voor nauwkeurige temperatuurmetingen moet u mogelijk de meetparameters wijzigen. Zie paragraaf De metingsparameters wijzigen.
Meethulpmiddelen toevoegen/verwijderen
Tik op de menuknop
.Tik op Meting
.Verricht een of meer van de volgende handelingen:
Tik op
om een spotmeter toe te voegen/te
verwijderen.Tik op
om een hotspot-vak toe te
voegen/te verwijderen.Tik op
om een coldspot-vak toe te
voegen/te verwijderen.
De spotmeter verplaatsen
Tik op de spotmeter. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met een greep.
Tik op de spotmeter en houd deze vast en sleep de spotmeter naar een nieuwe positie.
Het vak verplaatsen en het formaat ervan wijzigen
Tik op een van de hoeken van het vak. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met grepen.
Als u het vak wilt verplaatsen, tikt u op de middelste greep en houdt u deze vast. Sleep het vak vervolgens naar een nieuwe positie.
Als u het formaat van het vak wilt wijzigen, houdt u een van de hoekgrepen ingedrukt en sleept u het vak naar een nieuwe positie.
De metingsparameters wijzigen
Voor nauwkeurige temperatuurmetingen is het belangrijk de juiste meetparameters te gebruiken.
Emissiegraad: De emissiegraad bepaalt hoeveel van de straling van het object afkomt en er niet door wordt gereflecteerd.
Gereflecteerde temperatuur: Deze parameter wordt gebruikt ter compensatie voor de straling van de omgeving die door het object in de camera wordt gereflecteerd.
Relatieve vochtigheid: De relatieve vochtigheid van de lucht tussen de camera en het doelobject.
Atmosferische temperatuur: De temperatuur van de lucht tussen de camera en het doelobject.
Afstand: De afstand tussen de camera en het doelobject.
Tijdens normaal gebruik is er meestal geen noodzaak tot wijziging van de standaardparameters, zie paragraaf Aanbevolen waarden.
Meetparameters instellen
Emissiegraad is de belangrijkste meetparameter om correct in te stellen. Als de Emissiegraad is ingesteld op een lage waarde, wordt de Gereflecteerde temperatuur ook belangrijk. De parameters Relatieve vochtigheid, Atmosferische temperatuur en Afstand zijn relevant voor langere afstanden.
Om de meetparameters te wijzigen, doet u het volgende:
Tik op de knop Instellingen
.Tik op Meetparameters.
Tik op de meetparameter die u wilt wijzigen.
Selecteer de juiste parameterinstelling.
Aanbevolen waarden
Indien u twijfels hebt over de waarden van de meetparameters, worden de volgende waarden aanbevolen:
|
Emissiegraad |
0,95 |
|
Gereflecteerde temperatuur |
20 °C (69°F) |
|
Relatieve luchtvochtigheid |
50% |
|
Atmosferische temperatuur |
20 °C (69°F) |
|
Afstand |
1 m (3.3 ft.) |
Kleuralarmen en isothermen
Kleurenalarmen zijn niet van toepassing op C3-X en C5.
Door gebruik te maken van kleuralarmen (isothermen), kunnen afwijkingen eenvoudiger worden herkend in een infraroodbeeld. De isothermopdracht wijst een contrasterende kleur toe aan alle pixels met een temperatuur boven of onder het ingestelde temperatuurniveau.
Boven alarm: Markeert alle pixels met een temperatuur hoger dan het opgegeven temperatuurniveau. |
Onder alarm: Markeert alle pixels met een temperatuur lager dan het opgegeven temperatuurniveau. |
Een kleuralarm instellen
Ga naar de hoofdwerkbalk en selecteer Kleur. Hierdoor wordt een werkbalk weergegeven waarop u het Alarm boven of het Alarm onder kunt selecteren.
De drempeltemperatuur wordt weergegeven in de rechterbovenhoek van het livebeeld.
Druk op de navigatieknop omhoog/omlaag om de drempeltemperatuur te wijzigen. Om de instellingen te vergrendelen/ontgrendelen, tikt u op de knop Drempeltemperatuur. De achtergrond van de knop is zwart wanneer de instelling is vergrendeld en wit wanneer deze is ontgrendeld.